Het begrip werkbevlogenheid roept vaak beelden op van enthousiaste werknemers die met veel energie aan de slag gaan. Duurzame inzetbaarheid klinkt daarentegen meer als een planningsdoel: blijven mensen langdurig functioneren in hun functie? In dit artikel leggen we uit hoe deze twee concepten samenhangen en waarom HR-professionals, trainers en coaches ze kunnen toepassen in de praktijk.
Werkbevlogenheid is een vorm van psychologische inzetting. Het gaat niet om passieve tevredenheid of alleen het voelen van ‘ik heb er zin in’, maar om echt actief betrokken te zijn bij je werk en in het beste geval zelfs een staat van flow te bereiken. Denk aan de volgende drie: energie (je bent er fysiek en mentaal bij), focus (je concentreert je op taken) en betekenis (je voelt dat wat je doet relevant is). Werkbevlogenheid houdt dus in dat mensen niet alleen willen werken, maar ook willen blijven werken.
Een onderzoek bij rijksambtenaren toont aan dat job crafting (het zelfstandig ‘sleutelen’ aan je werk) leidt tot meer bevlogenheid. Medewerkers die leren om hun taken te veranderen of uit te breiden, ervoeren een groeiende waardering voor hun rol (zie ook Sleutelen aan je werk).
Duurzame inzetbaarheid houdt in dat mensen langdurig in staat blijven om hun werk te doen. Zowel fysiek als mentaal. Het gaat niet alleen over ouderdom of lichamelijke conditie, maar ook over het vermogen om met veranderingen mee te gaan en stress te beheersen. Een voorbeeld: een medewerker die zich ondanks herstructureringen blijft (kunnen) aanpassen, toont in feite duurzame inzetbaarheid.
Psychisch gezien is dit cruciaal. Stress en burnout verminderen de kans op langdurige inzetbaarheid. Werkbevlogenheid kan hier een rol spelen: als mensen zich bevlogen voelen bij hun werk, zijn ze vaak sterker bestand tegen stress en andere 'negatieve invloeden'. Hoge werkbevlogenheid kan in stressvolle perioden dus dienen als een soort schild (maar let op: dit is niet oneindig, daarover straks meer).
Werkbevlogenheid en duurzame inzetbaarheid zijn dus niet hetzelfde, maar ze versterken elkaar. Hier is waarom:
Opmerkelijk is dat de relatie niet lineair is. Werkbevlogenheid kan duurzame inzetbaarheid ondersteunen, maar biedt geen garantie. Denk aan een medewerker die zeer bevlogen is, maar toch overbelast is: de mentale energie blijft beperkt en de kans op uitval kan in dat geval toenemen. Het schild waar we het eerder over hadden, kan toch langzaam afbrokkelen als de job demands structureel te hoog liggen.
Hoe kun je in organisaties werken aan deze samenhang? Hier zijn drie stappen:
Een voorbeeld: een medewerker die zich verantwoordelijk voelt voor haar eigen groei, is waarschijnlijk beter in staat om met veranderingen te werken. Dat is duurzaamheid, en het wordt verder gestimuleerd door bevlogenheid. Alles houdt verband met elkaar.
Duurzame inzetbaarheid is niet alleen goed voor de werknemer, maar ook voor de organisatie. Het verlaagt verzuim en vergroot betrokkenheid. Werkbevlogenheid zorgt er daarnaast voor dat mensen actief meedoen.
Maar hoe meet je dit? Denk niet alleen aan testinstrumenten, maar ook aan observaties. Hoe vaak zoekt een medewerker uitdaging? Hoe reageert hij op feedback? Deze signalen kunnen aangeven of werkbevlogenheid en duurzame inzetbaarheid sterke of zwakkere banden hebben. Het menselijke aspect mag niet onderschat worden: dat is nou net waar trainers en coaches een gigantische meerwaarde kunnen leveren.
Wil je dit onderwerp in jouw organisatie of bij jouw klant aanpakken? Neem contact met ons op, dan helpen we je graag op weg. Cognera zorgt ervoor dat het hele proces, van testafname tot inzicht, professioneel en soepel verloopt.